In 2018 verscheen het proefschrift  Secondary school students’ university readiness and their transition to university van Els van Rooij. Uit haar onderzoek blijkt dat vwo-scholen leerlingen onvoldoende voorbereiden op het wetenschappelijk onderzoek. Om mijn vwo-leerlingen vertrouwd te maken met wetenschappelijk onderzoek hebben zij een empirisch onderzoek uitgevoerd naar het leraarschap. De werkwijze en de uitkomsten van dit onderzoek komen hieronder aan bod.  

Door: Bill Banning – met dank aan mijn oud-leerlingen

Om vwo-leerlingen vertrouwd te maken met wetenschappelijk onderzoek en bijbehorende gegevensverwerking hebben de huidige vwo-6 klassen de afgelopen twee schooljaren een langdurig onderzoek uitgevoerd. Kort samengevat komt dit onderzoek hierop neer. Om te beginnen noteerde iedere leerling twee – uitgewerkte – kenmerken van goed leraarschap. Vervolgens werden de uitspraken per klas in meerdere fases geanalyseerd. Hierbij werd allereerst geprobeerd de uitspraken te ordenen in groepen. Onafhankelijk van elkaar kwamen alle drie de klassen tot de volgende vier groepen onderwerpen voor goed leraarschap, te weten – in willekeurige volgorde – vakkennis, didactiek, relatie en persoonlijkheid.  

Vervolgens werd er binnen ieder van deze vier groepen uitspraken gezocht naar subcategorieën. Deze subcategorieën verschilden per klas, alhoewel er veel overeenkomsten waren. Ten slotte leerden de leerlingen om op grond van alle afzonderlijke uitspraken binnen een subcategorie een min of meer abstracte tekst te schrijven. Een dergelijke tekst mag immers geen aaneenrijging van citaten worden, terwijl toch de informatie van alle afzonderlijke citaten verwerkt dient te worden. Dit deden zij door de betreffende citaten eerst goed te bestuderen om ze vervolgens in een logische volgorde te leggen (opnieuw in groepjes geordend) om daarna – zonder de papieren erbij – de tekst te schrijven over dat groepje uitspraken. ‘Een vorm van samenvatten dus, meneer’, zei een van mijn leerlingen. Vervolgens controleerden ze per uitspraak of de informatie verwerkt was. Zo ontstonden de onderstaande teksten (op basis van 154 uitspraken) over wat leerlingen vinden dat goed leraarschap in zou mogen houden. In totaal hebben de leerlingen zo’n 200 bestanden met deelinformatie verzameld en verwerkt.

Hieronder staat de uitwerking van klas 6-C (atheneum-gymnasium, gemaakt in 4-C en 5-C).

1. Vakkennis

(Suzanne, Arwen, Linde Meuzelaar, Demi, Sofie)

Verstand

Door veel verstand te hebben van je vak, kun je leerlingen op verschillende manieren van uitleg voorzien, waarbij er altijd sprake is van kloppende informatie. Met behulp van deze kennis kan een docent bovendien zo compleet mogelijke antwoorden formuleren op de vragen van leerlingen. Wanneer een docent niet voldoende weet over zijn vak, is het moeilijk om zijn lessen te volgen, wat ze ook minder interessant maakt. Met een goede vakkennis heeft de docent het grote voordeel, dat hij alles van binnen en van buiten kent. Hij hoeft niks op te zoeken en wordt niet gehinderd in bijvoorbeeld het persoonlijk uitleggen van een moeilijk stuk stof. De docent kent dan namelijk alle mogelijke oplossingen, manieren van aanpak en ezelsbruggetjes om de stof makkelijker uit te leggen. Wanneer een leerling de aangereikte informatie niet begrijpt, is het van belang dat de leerkracht met zijn kennis een andere uitleg kan geven. Daarvoor moet de leraar de stof natuurlijk zelf goed begrijpen. Bovendien zorgt veel kennis over het vak er vaak voor dat leerlingen meer respect voor de docent krijgen, vooral als deze kennis goed overgedragen wordt.

Algemene kennis

Het vak van de leraar bestaat niet alleen uit het aanleren van zijn vak, maar ook uit het aanleren van vaardigheden. Als een leraar naast vakkennis ook algemene kennis van de wereld heeft, kan hij de kennis van de leerlingen verbreden.

Lesvoorbereiding

Als de leraar de les goed voorbereid heeft, weet hij beter waar hij het over heeft. Op deze manier kan hij de vakkennis beter overbrengen op de leerlingen.

Interesse

Wanneer een leraar interesse heeft in het vak dat hij geeft, heeft hij ook plezier in het lesgeven. Iets wat met plezier uitgelegd wordt, komt ook beter over bij leerlingen. Aandacht voor het vak zorgt zo voor aandacht van de leerlingen. Als een leraar niet genoeg weet over zijn vak is zijn verhaal moeilijk te volgen en dus ook niet echt interessant.

2. Didactiek

(Lotte, Maud, Iris, Kim, Giuseppe)

Uitleg

Een docent moet duidelijk kunnen uitleggen, duidelijk vragen kunnen beantwoorden en de stof goed over kunnen brengen. Hierdoor begrijpen leerlingen wat ze moeten leren en worden hun cijfers ook beter. De docent moet hiervoor veel kennis van en inzicht in zijn vak hebben.

Behulpzaamheid

Op het vlak van didactiek is behulpzaamheid erg belangrijk, een leraar moet namelijk erg betrokken zijn bij zijn leerlingen en moet graag tot helpen bereid zijn. Hierdoor vormt de leraar een goede band met de leerlingen waardoor de les positief beïnvloed wordt. Een docent moet ook niet alleen een hele klas helpen, maar ook leerlingen individueel.

Sfeer

Om een goede sfeer te creëren in de klas, zijn meerdere dingen belangrijk voor een leraar. Allereest is het belangrijk dat een leraar een les goed voorbereid.  Als hij zijn les goed voorbereid, kan hij de stof duidelijk uitleggen, wat ook belangrijk is voor een goede sfeer. Hierdoor zullen leerlingen hun aandacht beter bij de les kunnen houden. Als de leerlingen hun aandacht bij de les houden, merkt de leraar dit. De leraar zal zich daarom meer openstellen en zich verplaatsen in de leerlingen. Daarnaast is het belangrijk dat een leraar controle heeft over de klas, waardoor er een relaxte sfeer ontstaat en geen gepanikeerde leraar. Het is ook belangrijk dat een leraar de leerlingen niet overlaadt met huiswerk. De leraar en de leerlingen moeten geven en nemen waardoor er een vriendelijke sfeer ontstaat. 

Betrokken

Kennis, vaardigheden en houdingen kunnen vanuit docenten worden onderwezen aan leerlingen door onder meer een goede betrokkenheid. Een leerling heeft de band tussen leraar en leerling bijvoorbeeld vergeleken met klittenband. De leraar is de hakige kant en de leerlingen de zachte kant. Om te zorgen dat de stof ‘blijft hangen’ moet de leraar zich aan de leerlingen aanpassen, want een leraar die dit niet doet, is als een zachte kant tegen een zachte kant, hierbij zal de stof bij de leerlingen niet blijven hangen. Een leraar dient zijn leerlingen dus bij de les betrekken, waardoor zij beter zullen opletten en de les beter zal verlopen.

Ook wordt de betrokkenheid in de vorm van de ervaring van de leraar gewaardeerd. De docent heeft als het goed is een achtergrond in het vak dat geeft en heeft het een en ander meegemaakt wat betreft de verschillende onderwerpen binnen het vak. Met eigen ervaringen wordt vaak een succes geboekt wat betreft de betrokkenheid van de leerlingen in de les. “Door eigen ervaringen te delen, ziet de leerling het nut in van het lesmateriaal”.

Interactie

Het onderzoek laat zien dat leerlingen betrokken raken als leraren interactief lesgeven. Interactiviteit wordt vaak genoemd in het onderzoek en gaat vaak gepaard met betrokkenheid. Betrokkenheid wordt namelijk gecreëerd door voornamelijk interactie en interactie word weer gecreëerd door, volgens de leerlingen, moderne middelen te gebruiken. Onder didactiek past dus betrokkenheid, daaronder past interactie en daaronder moderne middelen.

De leerlingen worden betrokken bij de stof door interactie in de les. “Het is niet de bedoeling dat de leraar de hele tijd stil achter zijn/haar bureau zit of alleen maar aan het woord is bijvoorbeeld. Door leerlingen actief mee te laten doen wordt informatie veel beter opgenomen”. De concentratie van de leerlingen moet ondersteund worden en dit kan niet door constant dezelfde lessen te geven. Dit vinden leerlingen vaak ‘saai’ en hierdoor neemt de betrokkenheid af, wat weer leidt tot niet voldoende overdracht van de informatie. Een manier voor een goede overdracht en interactie in de les is het gebruiken van moderne middelen.

Moderne middelen gebruiken

Er zijn relatief veel leerlingen die zeggen dat de leraar ‘met de tijd mee moet gaan’. Een gevarieerde les met onder andere filmpjes van YouTube en waarin gebruik wordt gemaakt van internet vinden leerlingen vaak nuttig. Hierdoor wordt de stof ook op andere manieren dan die van het boek uitgelegd en zo wordt de stof duidelijker. Daarnaast is het voor de leerling fijn als een leraar de actualiteit, bijvoorbeeld nieuwsberichten gebruikt bij de uitleg van verschillende aspecten. Zo worden lessen interactief en leerlingen meer betrokken. Bovendien is het voor een leraar belangrijk dat een leraar buiten lesbrieven genoeg informatie weet over onderwerpen, zodat de informatie door er een eigen draai aan te geven een stuk interessanter wordt.

3. Relatie

(Marissa, Erika, Elisa, Niels, Henkjan, Pleun, Saar, Shana)

Sfeer

De sfeer moet goed en duidelijk zijn tussen de leraar en leerlingen. Dit zal namelijk uiteindelijk tot betere resultaten leiden, doordat de leerlingen fijner kunnen werken en zich beter kunnen concentreren. De sfeer is goed wanneer de leraar plezier en sympathie uitstraalt. De leerlingen luisteren dan beter omdat de sfeer beter is en zullen ook meer vragen stellen.

Respect

Respect houdt in dat je elkaar behandelt zoals je dat verdient en wenst van elkaar; de leraar houdt rekening met de ander en andersom natuurlijk ook. Dit betekent dat de leraar zich niet afstandelijk gedraagt en goed communiceert met de leerlingen. Als je elkaar respect toont, dan gaat het lesgeven veel makkelijker. Leerlingen kunnen dan beter opletten, gaan sneller naar de les en maken daarnaast beter hun huiswerk. Dit kun je doen door bijvoorbeeld wederzijds interesse te tonen. Waardering is ook erg belangrijk om een goede band te laten ontstaan tussen leraar en leerling. De relatie op grond van sympathie én waardering vanuit de leraar is van even groot belang omdat ze wezenlijk met elkaar samenhangen. Hierdoor voel je je aanvaard als een waardig en waardevol mens. 

Empathie

Een docent moet rekening houden met het feit dat leerlingen ook andere dingen aan hun hoofd hebben dan alleen zijn eigen vak. Hij moet zich goed kunnen inleven in de leerling, waardoor de leerling meer motivatie krijgt. Een goede leraar moet ook aandacht geven aan de leerling. Hij moet interesse tonen in de leerling. Hierdoor voelt de leerling zich meer gewaardeerd en zo wordt de band tussen leraar en leerling versterkt.

Betrokkenheid

Een docent is een goede docent als hij zowel aandacht heeft voor het vak als voor de leerlingen en wanneer hij begrip toont voor de leerlingen. Op deze manier gaan de leerlingen met plezier naar school. Daarbij moet een leraar luisteren naar wat de leerlingen te zeggen hebben en moet hij zich behulpzaam opstellen.

Het is altijd belangrijk dat een leraar de leerling niet alleen helpt met het uitleggen van de lesstof, maar ook helpt bij het persoonlijke leven van een leerling en ziet als die ergens mee zit, bijvoorbeeld veel stress voor een bepaalde toets. Leerlingen leren namelijk makkelijker als ze een goede band hebben met de leraar. Deze ontstaat door het goede communiceren tussen docent en leerling. De band die ontstaat, creëert een opwaartse spiraal.

Bovendien moet een leraar interesse tonen in zijn eigen vak. Hierdoor wordt door de docent niet alleen beter les gegeven, maar op deze manier toont hij ook interesse in de leerlingen. Dat zorgt ervoor dat hij erachter komt wat elke leerling nodig heeft.

Het is de bedoeling dat er een soort van kettingreactie ontstaat tussen leraar en leerling: de leraar moet aandacht hebben voor zijn leerlingen. Zo krijgen de leerlingen meer respect voor hem en zullen ze dus beter gaan opletten tijdens de les. De les verloopt hierdoor soepeler en de leerlingen zullen de lessen leuker vinden.

Door al deze dingen, die een leraar kan doen, snappen de leerlingen de lesstof beter en krijgen ze veel motivatie om zo door te gaan of het beter te doen.

4. Persoonlijkheid

(Diego, Luc, Manon, Jens, en Anne)

Passie

Volgens de leerlingen is het belangrijk dat de leraar enthousiast les geeft. Door vrolijk voor de klas te staan zie je dat de leraar plezier heeft in het lesgeven. Door de positieve houding van de leraar zijn de lessen interessanter en zullen de leerlingen met meer motivatie deelnemen aan de les. Enthousiasme over het vak vanuit de leraar heeft ook veel invloed op de leerlingen. Als een leraar lesgeeft vanuit het boek en er verder geen waarde aan hecht, zullen de leerlingen niet enthousiast deelnemen aan de les en zal het de sfeer in de klas niet bevorderen. Door enthousiasme uit te stralen kan de leraar de leerlingen meegeven dat het leuk is om meer over een vak te leren. Een leraar kan als het ware zijn enthousiasme overbrengen op de leerlingen. Als de leerlingen enthousiasme hebben voor het vak zullen ze meer over hebben voor de leraar en het vak. Enthousiasme vanuit de leraar zal er ook voor zorgen dat de leerlingen de stof beter op zullen nemen wat zal resulteren in betere cijfers. De leraar kan ook niet blijven hangen bij ouderwetse lesmethodes, door zich in te leven in de leerlingen zullen zij ook enthousiaster worden.

Geduld

Een goede leraar moet geduld hebben. Dit omdat diegene dan een betere uitleg kan geven en aandacht kan besteden aan kinderen die moeite hebben met leren, zij kunnen dan iets meer uitleg krijgen dan de rest van de klas. De leraar zal dingen vaker moeten herhalen om ervoor te zorgen dat leerlingen dit begrijpen en ook niet boos worden wanneer er vragen worden gesteld of wanneer het lang duurt voordat een leerling iets begrijpt. Daarnaast moet de docent kennis hebben van zijn vakgebied om iets op een geduldige manier over te kunnen brengen, anders zal dit niet lukken. Een leraar moet wel zijn grenzen aan kunnen geven, maar niet te snel boos worden. Als een leraar namelijk te snel boos wordt, zullen leerlingen bang worden om iets te vragen en dat lijkt ons geen gewenst effect.

Zelfvertrouwen

Om een goede lesgever te zijn moet deze een goede uitstraling hebben zodat de leerlingen met plezier naar de les komen, het interessanter wordt om te leren en om de aandacht van de leerlingen vast te houden. Om de kwaliteit van de lessen te behouden is het ook van belang dat de leraar gezag heeft zodat de leerlingen respect hebben voor de leraar en er rust is in de klas. De lesgever moet niet over zich heen laten lopen. Dit zorgt er mede voor dat het leren makkelijker gaat. Als de leraar niet standvastig is dan komt de leraar onzeker over, het is dus belangrijk dat de leraar standvastig is en niet continu van mening verandert. Al met al moet de docent zelfverzekerd zijn, dit geeft namelijk een fijner gevoel in de les voor de leerlingen en de docent. Deze zelfverzekerdheid straalt door in veel van de andere aspecten die hierboven zijn genoemd.

Sympathie, humor en loyaal

Onder sympathie valt meer dan alleen sympathie. Het is natuurlijk wel belangrijk dat een leraar rekening houdt met zijn leerlingen, hen probeert te begrijpen en hen als gelijkwaardigen behandelt. Maar het gaat er ook over dat een leraar humor hoort te hebben, zodat de sfeer in de klas goed blijft en niet te serieus en te prestatiegericht wordt. Je hoort als leraar ook plezier uit te stralen, zodat leerlingen het fijner vinden om naar de leraar te luisteren en makkelijker een vraag stellen. Verder moet een leraar loyaal zijn, want als hij wil dat leerlingen wat voor hem doen moet hij ook laten zien dat hij ook bereid is dingen te doen voor zijn leerlingen. Ten slotte valt ook behulpzaamheid onder sympathie: een leraar moet uitstralen dat hij meer dan bereid is om een leerling te helpen, hij moet uitstralen dat wanneer een leerling het moeilijk heeft dat hij er voor die leerling is.

Dr. Bill Banning is onderwijspedagoog en theoloog en OMO-docent d’Oultremontcollege Drunen.

Downloads

De oorspronkelijke tekst met verwijzingen naar de werkwijze kunt u hier downloaden: